Elk van de veertig dagen naar Pasen een andere psalm, dat is het idee. Net als in mijn onderzoek: psalmen in allerlei stijlen, ook vrije nieuwe teksten die als ‘psalm’ gepresenteerd worden.
Vandaag Psalm 18, in een chant:
| I will love thee, O Lord, my strength; the Lord is my stony rock, and my defence : my saviour, my God, and my might, in whom I will trust, my buckler, the horn also of my salvation, and my refuge. I will call upon the Lord, which is worthy to be praised : so shall I be safe from mine enemies. The sorrows of death compassed me : and the overflowings of ungodliness made me afraid. The pains of hell came about me : the snares of death overtook me. In my trouble I will call upon the Lord : and complain unto my God. So shall he hear my voice out of his holy temple : and my complaint shall come before him, it shall enter even into his ears. The earth trembled and quaked : the very foundations also of the hills shook, and were removed, because he was wroth. There went a smoke out in his presence : and a consuming fire out of his mouth, so that coals were kindled at it. He bowed the heavens also, and came down : and it was dark under his feet. He rode upon the cherubins, and did fly : he came flying upon the wings of the wind. He made darkness his secret place : his pavilion round about him, with dark water and thick clouds to cover him. At the brightness of his presence his clouds removed : hail-stones, and coals of fire. The Lord also thundered out of heaven, and the Highest gave his thunder : hail-stones, and coals of fire. He sent out his arrows, and scattered them : he cast forth lightnings, and destroyed them. The springs of water were seen, and the foundations of the round world were discovered, at thy chiding, O Lord : at the blasting of the breath of thy displeasure. He shall send down from on high to fetch me : and shall take me out of many waters. He shall deliver me from my strongest enemy, and from them which hate me : for they are too mighty for me. They prevented me in the day of my trouble : but the Lord was my upholder. He brought me forth also into a place of liberty : he brought me forth, even because he had a favour unto me. The Lord shall reward me after my righteous dealing : according to the cleanness of my hands shall he recompense me. Because I have kept the ways of the Lord : and have not forsaken my God, as the wicked doth. For I have an eye unto all his laws : and will not cast out his commandments from me. I was also uncorrupt before him : and eschewed mine own wickedness. Therefore shall the Lord reward me after my righteous dealing : and according unto the cleanness of my hands in his eye-sight. With the holy thou shalt be holy : and with a perfect man thou shalt be perfect. With the clean thou shalt be clean : and with the froward thou shalt learn frowardness. For thou shalt save the people that are in adversity : and shalt bring down the high looks of the proud. Thou also shalt light my candle : the Lord my God shall make my darkness to be light. For in thee I shall discomfit an host of men : and with the help of my God I shall leap over the wall. The way of God is an undefiled way : the word of the Lord also is tried in the fire; he is the defender of all them that put their trust in him. For who is God, but the Lord : or who hath any strength, except our God? It is God, that girdeth me with strength of war : and maketh my way perfect. He maketh my feet like harts’ feet : and setteth me up on high. He teacheth mine hands to fight : and mine arms shall break even a bow of steel. Thou hast given me the defence of thy salvation : thy right hand also shall hold me up, and thy loving correction shall make me great. Thou shalt make room enough under me for to go : that my footsteps shall not slide. I will follow upon mine enemies, and overtake them : neither will I turn again till I have destroyed them. I will smite them, that they shall not be able to stand : but fall under my feet. Thou hast girded me with strength unto the battle : thou shalt throw down mine enemies under me. Thou hast made mine enemies also to turn their backs upon me : and I shall destroy them that hate me. They shall cry, but there shall be none to help them : yea, even unto the Lord shall they cry, but he shall not hear them. I will beat them as small as the dust before the wind : I will cast them out as the clay in the streets. Thou shalt deliver me from the strivings of the people : and thou shalt make me the head of the heathen. A people whom I have not known : shall serve me. As soon as they hear of me, they shall obey me : but the strange children shall dissemble with me. The strange children shall fail : and be afraid out of their prisons. The Lord liveth, and blessed be my strong helper : and praised be the Lord of my salvation; Even the God that seeth that I be avenged : and subdueth the people unto me. It is he that delivereth me from my cruel enemies, and setteth me up above mine adversaries : thou shalt rid me from the wicked man. For this cause will I give thanks unto thee, O Lord, among the Gentiles : and sing praises unto thy Name. Great prosperity giveth he unto his King : and sheweth loving-kindness unto David his Anointed, and unto his seed for evermore. Glory be to the Father, and to the Son: and to the Holy Ghost; As it was in the beginning, is now, and ever shall be: world without end. Amen. | Ik heb u lief, Eeuwige, mijn sterkte, Eeuwige, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht. Ik roep: ‘Geloofd zij de Eeuwige,’ want ik ben van mijn vijanden verlost. Mij omsloten de banden van de dood, de kolkende afgrond joeg mij angst aan, de banden van het dodenrijk omklemden mij, op mijn weg lagen de valstrikken van de dood. In mijn nood riep ik tot de Eeuwige, ik schreeuwde naar mijn God om hulp. In zijn paleis hoorde hij mijn stem, mijn roepen bereikte zijn oren. Toen schudde en schokte de aarde, de bergen trilden op hun grondvesten, beefden omdat Hij vlamde van woede, rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam uit zijn mond, hij spuwde hete as. Hij schoof de hemel open en daalde af, duisternis onder zijn voeten, hij besteeg de cherub en vloog, zwevend op de vleugels van de wind. Hij maakte van het donker zijn schuilplaats, trok een tent om zich heen van duister water, dichte wolken. Een vuurgloed ging voor hem uit, wolken joegen voort, hagel en gloeiende as. De donder van de Eeuwige klonk aan de hemel, de Allerhoogste verhief zijn stem: hagel en gloeiende as. Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen, wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen. De beddingen van het water werden zichtbaar, de grondvesten van de wereld kwamen bloot door uw dreigende blik, Eeuwige, door de briesende adem uit uw neus. Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast en trok mij op uit de woeste wateren, ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, die sterker waren dan ik. Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan, maar de Eeuwige was mij tot steun. Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte, bevrijdde mij, omdat Hij mij liefhad. De Eeuwige heeft mijn onschuld vergolden, mij beloond voor mijn reine handen: ik volgde de wegen die de Eeuwige had gewezen en werd mijn God niet ontrouw, zijn voorschriften hield ik voor ogen, zijn wetten wees ik nooit af. Ik was hem volkomen toegewijd en hoedde mij steeds voor het kwaad, daarom heeft de Eeuwige mijn onschuld beloond, hij zag mijn reine handen. U bent trouw voor de trouwe, volmaakt voor de volmaakte, zuiver voor de zuivere, maar voor de sluwe ongrijpbaar. U bent de redder van het vertrapte volk, wie zich hoog wanen, brengt u ten val. U bent het die mijn lamp doet schijnen, u, Eeuwige, mijn God, verlicht mijn duisternis, met u storm ik af op een legerbende, met mijn God spring ik over de hoogste muur. Gods weg is volmaakt, het woord van de Eeuwige is zuiver, een schild is hij voor allen die bij hem schuilen. Wie anders is God dan de Eeuwige, wie anders een rots dan onze God? De God die mij met kracht omgordt, leidt mij op een volmaakte weg, hij geeft mij voeten snel als hinden, doet mij op toppen van bergen staan, oefent mijn handen voor de strijd – mijn armen spannen de bronzen boog. U was het schild dat mij redde, uw rechterhand ondersteunde mij, uw woord maakte mij sterk, u baande de weg voor mijn voeten, ik wankelde niet. Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd, ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op, dood lagen ze onder mijn voeten. U hebt mij omgord met kracht voor de strijd, mijn tegenstanders voor mij doen buigen, u liet mij de rug van mijn vijanden zien, mijn haters, ik roeide ze uit. Ze schreeuwden om hulp, maar er was geen redder, ze riepen de Eeuwige, maar hij antwoordde niet. Ik verpulverde hen tot stof in de wind, vaagde hen weg als vuil van de straat. U bevrijdde mij van een opstandig volk, stelde mij aan tot hoofd van de naties. Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich, gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde. Vreemdelingen toonden zich onderdanig, vreemde volken verloren hun kracht, bevend kwamen zij uit hun burchten. De Eeuwige leeft, geprezen zij mijn rots, hoogverheven is God, mijn redder. De God die mij wraak liet nemen, dwong volken op de knieën, bevrijdde mij van mijn vijanden, verhief mij boven mijn tegenstanders, ontrukte mij aan mannen van geweld. Daarom wil ik u prijzen te midden van de volken, Eeuwige, een loflied zingen tot eer van uw naam. Hij schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht, voor altijd. Eer aan de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Zoals het was in het begin, en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen. |
Tekst: Psalm 18
Muziek: William Hine, Henry John Gauntlett
Uitvoering: Choir of St. John’s College, Cambridge, Glen Dempsey, Andrew Netsingha
Foto: Svend Nielsen op Unsplash
Andrew Nethsinga laat horen dat het chanten altijd weer perfecter kan. Ik heb de cd, waar het me opviel dat hij het spreekritme heeft losgelaten en sommige belangrijke woorden extra lang maakt. Dat geeft dan weer een heel eigen sfeer – ik heb dat andere koren nooit horen doen.
LikeLike