Heer, ik hoor van rijke zegen

Deze post was aanvankelijk als artikel te lezen: H. Vogel. ‘Loep op lied.’ Groniek 37-5 (2016): 12-13.

Na besprekingen van twee iederen die meer in verband zijn te brengen met de liturgische beweging of uitvloeisels daarvan, lijkt het me goed de focus te verleggen naar meer evangelicale hoek. Nu doel ik niet op het modernere Opwekkingslied, maar op liederen uit de Zangbundel van Johannes de Heer, die naar het schijnt op nieuwe populariteit kan rekenen.[1] Er zijn verschillende nieuwe opnames verschenen de laatste jaren, waarop de oude liederen soms in een moderner jasje zijn gestoken. Moderner, hoewel het harmonium bijvoorbeeld ook weer onder het stof vandaan gehaald is en weer schijnt ‘te mogen’.

Ik ben niet opgegroeid met deze bundel en zijn taal. De keren dat ik er wel een lied uit heb gezongen moest ik erg wennen aan taal en melodie: beiden komen op mij nog steeds wat overdreven en goedkoop over. Ik hoop echter dat ik deze associaties grotendeels kan uitschakelen, zodat ik enigszins onbevangen het volgende lied tegemoet kan treden:

Heer, ik hoor van rijke zegen[2]

Heer, ik hoor van rijke zegen,
die Gij uitstort keer op keer;
laat ook van die milde regen
dropp’len vallen op mij neer.
Ook op mij, ook op mij,
dropp’len vallen ook op mij.

Ga mij niet voorbij, o Vader,
zie hoe mij mijn zonde smart.
Trek mij met uw koorden nader,
stort uw liefd’ ook in mijn hart.
Ook in mij, ook in mij,
stort uw liefde ook in mij.

Heil’ge Geest, wil niet voorbij gaan:
Gij geeft blinden d’ ogen weer!
Wil, o wil nu bij mij stilstaan.
Werk in mij met kracht, o Heer!
Ook in mij, ook in mij,
werk ook door uw kracht in mij!

Wil m’ o Heiland, niet voorbij gaan.
Doe mij leven U nabij;
zie mij zuchtend aan uw zij staan;
roept Gij and’ren, roep ook mij.
Ja, ook mij, ja ook mij;
roept Gij and’ren, roep ook mij.

Liefde Gods, zo rein, zo krachtig,
bloed van Jezus, rijk en vrij,
Gods genade, sterk en machtig,
o, verheerlijk U in mij.
Ook in mij, ook in mij,
o, verheerlijk U in mij.

Ga mij niet voorbij, o Herder!
Maak mij gans van zonden vrij.
Vloeit de stroom van zegen verder,
zegen and’ren, maar ook mij.
Ja, ook mij, ja ook mij,
zegen and’ren, maar ook mij.

Het lied is een vertaling vanuit het Engels, zoals met veel liederen uit de Zangbundel het geval is. Hier heeft ‘Even me’ als voorbeeld gediend, dat gedicht werd door Elizabeth Codner (1824-1919) en van een melodie voorzien werd door William Batcher Bradbury (1816-1868). Het is een strofisch lied, waarbij elke strofe op dezelfde melodie wordt gezongen. Hoewel het lied geen expliciet refrein kent, vertonen de laatste twee regels van elke strofe toch grote overeenkomst. Verder is het rijmschema van de eerste vier regels gekruist (ABAB) en van de laatste twee regels steevast gepaard (CC).

Laten we de verschillende beelden in het lied eens nader bekijken. Als ik de eerste strofe lees valt me direct het beeld van de ‘dropp’len van zegen’ op, zoals dat in verschillende andere liederen uit deze bundel ook naar voren komt.[3] Voor de bijbelvaste lezer geen onbekend beeld: in Ezechiël 34:26 vinden we deze beeldspraak, net als in verschillende psalmen.[4] Zegen wordt vaker vergeleken met regen, water of dauw en dat is niet verwonderlijk als we de agrarische cultuur uit het Oude Testament bedenken, waarbij zegen vaak te maken heeft met een goede oogst en waarbij een droog seizoen daarvoor fataal kan zijn.

Opvallend is echter de wending halverwege de strofe. Een beeld dat traditioneel vooral met zegening van een land of volk geassocieerd werd, wordt hier in de persoonlijke sfeer getrokken: ‘Ook op mij, ook op mij’. Deze wending, verinnerlijking – bevinding zo u wilt – lijkt me typisch voor de nadruk die De Heer legt op het persoonlijk geloof. Hij had grote belangstelling voor de Angelsaksische opwekkingsbeweging, die een grote focus legde op de bekering van elke individuele zondaar en op een persoonlijke relatie met Christus.[5]

Een beweging als bovenstaande is dan ook vaker in liederen uit de Zangbundel te vinden. Daarbij begint een lied of strofe met een zintuiglijke ervaring (of een ervaring die als zintuiglijk voorgesteld wordt), die vervolgens vraagt om een reactie: verootmoediging, gebed, lofzang, dankzegging, etc. Voorbeelden daarvan zijn: ‘Ik zie een poort wijd open staan […] Die poort staat open, ook voor mij!’, ‘Heer uw licht en uw liefde schijnen […] schijn in mij, schijn door mij’.[6] Het wordt me niet altijd duidelijk wanneer de hoofdpersoon in het lied – het ‘lyrisch ik’ – werkelijk een zintuiglijke voorstelling heeft of een innerlijke ervaring slechts als zintuiglijk voor doet komen.[7] ‘Heer uw licht en uw liefde schijnen’ is in elk geval deels duidelijk beeldspraak: hoe zou liefde moeten schijnen? Ik kan me daar weinig concreets bij voorstellen. Aan een abstract concept (liefde) wordt een zichtbare realiteit (schijnen) toegekend. In ‘Ik zie een poort wijd open staan’ wordt het al lastiger. Het lyrisch ik heeft wellicht een visioen van de hemelpoort, maar we kunnen deze zin ook anders lezen: het lyrisch ik ziet daadwerkelijk een poort, deur of hek openstaan en moet daarbij associatief denken aan de poort van de hemel. Dat komt u wellicht omslachtig voor, maar met het lied dat ik vandaag behandel is eenzelfde leeswijze te hanteren. Dit lied zou in een (huis)dienst wellicht na een aantal lezingen uit het Oude Testament gezongen kunnen worden. Wellicht was daarbij Psalm 133, Ezechiël 34 of een andere profetie gelezen. Aansluitend antwoorden de aanwezigen met: ‘Ik hoor van rijke zegen die Gij uitstort keer op keer’, daarbij reflecterend op hun daadwerkelijke zintuiglijke ervaring van dat moment.

Welke van beide leeswijzen de voorkeur verdient, durf ik niet te zeggen. Ik wil vooral aangeven dat liederen die met een visioen lijken te beginnen óók anders gelezen kunnen worden: beelden of ervaringen komen dan voort uit de specifieke gebruikscontext van een lied.

In de tweede strofe komt het beeld van de zondaar duidelijker naar voren: deze vraagt of God hem met ‘liefdeskoorden’ naar zich toe wil trekken. Na enig speurwerk bleek dat dit woord niet enkel een reformatorische stoplap is, maar zelfs bijbelse oorsprong heeft: ‘Zacht leidde ik hen bij de teugels, aan koorden van liefde trok ik hen mee.’[8] Bij nader onderzoek blijkt dus ook deze strofe een toe-eigening, verinnerlijking te bevatten; een metafoor die aanvankelijk voor het volk Israël werd gebruikt (zie de context uit Hosea), wordt hier toegepast op het persoonlijk geloof.

De derde strofe geeft een dubbeler beeld. Het niet-voorbijgaan of stilstaan doet allereerst denken aan de laatste plaag in Egypte (trouwens, pesach betekent ‘voorbijgaan’, ‘overslaan’), maar ik vermoed dat we diens herkomst vooral in het Nieuwe Testament moeten zoeken. Het lyrisch ik doet zich voor in de gedaante van een blinde langs de weg, die door Christus en zijn geest genezen wil worden. In de vorige strofe riep hij de Vader aan, nu wordt de Geest gevraagd en in de vierde strofe wordt de Heiland (Christus, de Zoon) gebeden.

Bij nader inzien vormen deze drie strofen wellicht één bede, dat het beeld van het hele lied meer contouren geeft: de blinde zondaar, langs de weg gezeten, verwacht het van God en zoekt genezing. Dan krijgt de eerste zin van het lied ook een andere lading: ‘Ik hóór van rijke zegen, want zien kan ik niet’ [gecursiveerde aanvulling: HV]. Een wellicht vergezochte allegorie zou de stromende, vochtige zegen zelfs gelijk kunnen stellen aan het speeksel dat Christus gebruikt om, met aarde gemengd, de blinde uit Johannes 9 te genezen.

In de volgende strofe verhevigt de bede van het lyrisch ik en draait deze er niet langer omheen: het is hem om Christus’ bloed en Gods genade te doen. Betrekken we de laatste strofe in onze interpretatie, dan blijkt dat het lyrisch ik vooral heiliging zoekt. Niet zozeer vergeving of rechtvaardiging alswel het ‘vrij worden van zonden’ staat centraal, waarbij de laatste strofe aan lijkt te geven dat deze heiliging ook tot zegen van ánderen zal zijn (regel 3 en 4).

Zo eindigt het lied met het beeld waarmee het begon. Gods druppelende, Oud-Testamentische zegen voor Israël is een beeld geworden in een persoonlijk gebed om genezing en heiliging. Heiliging, zodat de zegenstroom hevig door kan stromen. Genezing, zodat de lichtstad – met paar’len poorten die wijd open staan etc. – eindelijk gezien kan worden. Dit alles geheel in lijn met de drie V’s die Johannes de Heer in zijn prediking naar voren bracht: Verlossing, Vervulling en Verwachting.[9]

Hoewel dit lied niet echt in mijn smaak past – het terugkerende ‘ook mij, ook mij’ komt mij wat gekunsteld en overdreven voor en de melodie is me wat te zeurderig – heb ik toch de indruk dat bestudering ervan tot meer begrip heeft geleid. Het lied is een uiting van een geloofsbeleving die zeer persoonlijk is: een zanger ervan kan zich identificeren met een blinde langs de weg, of het volk Israël. Ik kan me goed voorstellen dat het lied een passend, ingetogen, biddend slot van een (kerkelijke) viering kan zijn. Vooral als het taalgebruik uit het lied (stromende zegen, blindheid, etc.) in de dienst aan de orde is geweest, kan dit lied zeer passend als zegenbede de daadwerkelijke zegen inleiden – gezegend om de ander tot zegen te zijn.


[1] Johannes de Heer, Zangbundel ten dienste van huisgezin en samenkomsten: liederen en koren geschikt voor orgel en/of gemengd koor (Rotterdam: De Heer, 1905). Sinds deze eerste uitgave met 675 liederen is de bundel meermaals aangepast en uitgebreid tot een huidig corpus van 1011 liederen. Hierdoor verschilt de nummering in verschillende edities.

[2] In de laatste editie van de Zangbundel is dit lied 132.

[3] Denk aan ‘Er komen stromen van zegen’ (lied 57).

[4] Denk aan psalm 65 of 133.

[5] Jan Smelik, Eén in lied en leven. Het stichtelijk lied bij Nederlandse protestanten tussen 1866 en 1938 (’s-Gravenhage: Sdu Uitgevers, 1997), 294.

[6] Rectievelijk lied 140 en 965 uit de Zangbundel.

[7] Bij analyse van poëtische teksten bestaat het gevaar het ‘ik’ uit het gedicht aan de dichter gelijk te stellen: ‘De dichter ziet een poort wijd open staan’. In een gedicht wordt echter, zoals in elk verhaal, een personage opgevoerd dat veelal een monoloog voert en zodoende de stem van de dichter lijkt te vertolken. Dat personage wordt het ‘lyrisch ik’ genoemd.

[8] Hosea 11,4a.

[9] W. Slagter, ‘Heer, Johannes de (1866-1961).’ Biografisch Woordenboek van Nederland, 12 november 2013, http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn5/heer (geraadpleegd 10 maart 2016).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s