Staat er wat er staat?

Bruggen tussen close en distant reading

Tijdens mijn eerste weken in de onderzoeksmaster Nederlandse literatuur en cultuur aan de universiteit van Utrecht viel het me op dat studenten die een bachelor Nederlandse taal en cultuur in Utrecht hadden gevolgd theoretisch en methodologisch beter onderlegd waren dan ik. Ik volgde een soortgelijke bachelor in Groningen, maar heb de indruk dat ik daar aan de Rijksuniversiteit kritischer gevormd had kunnen worden. Uiteraard maakte ik kennis met zowel historische als moderne letterkunde, maar in beide segmenten werd bijvoorbeeld de canon nauwelijks expliciet bekritiseerd. De Middeleeuwse teksten die we bespraken waren allemaal canoniek, net als de werken uit de moderne tijd. Bij vakken over vroeg-moderne letterkunde werden ook niet-canonieke teksten besproken, maar ik kan me niet herinneren dat we ooit kritisch stil hebben gestaan bij de al dan niet canonieke status van de teksten. Wel behandelden we (kort) theorieën over het hedendaagse culturele of literaire veld en volgden álle studenten Nederlandse taal en cultuur vakken over semantiek, pragmatiek en taalbeheersing, waardoor best een brede basis in semiotiek, taalhandelingstheorieën en theorieën over interactieve processen van betekenisgeving kon worden gelegd.

Mijn minor Muziekwetenschap heeft de ideologiekritische lacune gelukkig enigszins kunnen vullen door uitgebreid stil te staan bij de (altijd ideologische en politieke) construering van muzikale canons en genres (‘echt zwarte muziek’, ‘rock is mannelijk’, etc.), en de invloed daarvan op andere of grotere narratieven en discoursen. Daarnaast heb ik me in mijn vrije ruimte kunnen verdiepen in meer sociologische en antropologische perspectieven van taalgebruik: hoe wordt met taal eensgezindheid gecreëerd, wat kunnen functies van (on)beleefdheid zijn, hoe ritueel is ons talige handelen?

Al het voorgaande heeft ervoor gezorgd dat mijn ideologiekritische houding ten opzichte van literatuur wat onderontwikkeld is, terwijl ik me die bij andere kunstvormen gemakkelijker aan kan meten. Ook heb ik een gevoeligheid voor indirect, pragmatisch en ritueel taalgebruik of algemener handelen kunnen opbouwen, die ik specifieker in literatuuronderzoek zou willen inzetten. Ik vermoed dat het onderzoeken van nuances als (versteende) metaforiek, ironie, (in)directheid, beleefheid in zowel literaire werken zelf als in hun receptie, canonisering en gebruik een completer beeld kan geven hoe literatuur vaak onbewust het culturele begrenzen beïnvloedt:

The most effective disciplinary techniques practices against those who stray beyond the limits of a given culture are probably not the spectacular punishments […] but seemingly innocuous responses: a condescending smile, laughter poised between the genial and the sarcastic, a small dose of indulgent pity laced with contempt, cool silence. [1]

De voorbeelden die Greenblatt geeft in bovenstaand citaat voeden mijn nieuwsgierigheid naar de invloed van indirecter handelen op grotere discoursen en narratieven. Om die reden interesseert de canoniciteit van een te onderzoeken werk me in eerste instantie ook niet zo; interessanter vind ik het de aanwezigheid van bepaalde discoursen door verschillende werken heen te onderzoeken en in tweede instantie de canoniciteit van die werken (dus de expliciete/impliciete omgang met en waardering van de werken) te betrekken.

Helmer Helmers doet iets dergelijks in zijn hoofdstuk ‘Illness as Metaphor: The Sick Body Politic and Its Cures’, waarin hij de conceptuele metafoor een natie is een lichaam uitwerkt.[2] In dit hoofdstuk werkt hij uit hoe deze metafoor bij kan dragen aan het conceptualiseren en bestendigen van een (in dit geval Nederlandse) natie. Door een natie als een lichaam voor te stellen, wordt functionele eenheid gesuggereerd: als een deel van het lichaam ziek is, is het hele lichaam ziek. Ook wordt het door deze metafoor gemakkelijker om het hebben van een enkel staatshoofd als iets natuurlijks voor te stellen: een lichaam moet immers een hoofd hebben? Door niet alleen de eigen, maar ook andere naties als lichamen voor te stellen, ligt essentialisme op de loer en kunnen maatschappelijke problemen gemakkelijk als ziektes voorgesteld worden die van ‘buitenaf’ komen. Ook van binnenuit kan verzieking gesuggereerd worden, bijvoorbeeld door de verspreiding van verkeerde opvattingen via allerlei media (pamfletten die viral gaan). In de bespreking van deze metafoor en allerlei facetten en varianten daarvan komt Helmers met verschillende voorbeelden, waarvan enkele canoniek zijn (klassieke mythologie, Hooft, Shakespeare), maar waarbij ook bijvoorbeeld pamfletten aan de orde komen. Deze variatie aan bronnen versterkt de hypothese dat de metafoor een natie is een lichaam inderdaad dominant en wijdverbreid is. Wel is het jammer dat het in het hoofdstuk onduidelijk blijft hoe Helmers aan zijn bronnen is gekomen. Ook over minder dominante metaforen zou een dergelijk hoofdstuk te schrijven zijn, mits er maar een aantal gevarieerde bronnen voor handen was. Als Helmers zijn methode en corpus had geëxpliciteerd, was zijn casus veel sterker geweest. Bespreekt hij een selectie uit een groter corpus dat hij onderzocht heeft of is hij toevallig wat leuke voorbeelden tegen het lijf gelopen? Kortom: is deze selectie echt respresentatief voor een moment of tijdperk in de geschiedenis?

Ik denk dat Helmers’ hoofdstuk veel aan zeggingskracht had kunnen winnen als het zich had bediend van uitgebreide explicitering zoals Matthew Jockers en David Mimno dat in ‘Significant Themes in 19th-Century Literature’ doen.[3] Anders dan Helmers bespreken zij expliciet de aard en omvang van hun corpus en werken zij hun methode stapsgewijs uit. Uiteraard verschillen beide teksten qua doelstelling: Helmers illustreert een stelling en Jockers en Mimno demonstreren een (nieuwe) methode. Toch lijkt het me de moeite waard beide artikelen langs elkaar te leggen, omdat ik denk dat er met beide artikelen winst geboekt zou kunnen worden door wederzijds aspecten over te nemen. Jockers en Mimno stellen bijvoorbeeld:

Not only are traditional methods prone to individual biases and oversimplification (as in “this book is all about religion”) but even in the best case they are limited by the number of novels a scholar can read and are unable to account for a theme’s recurrence and prominence over time, across genres, in different national or ethnic milieus.[4]

Hoewel Helmers teksten uit verschillende (nationale en historische) contexten bespreekt, lijkt hij inderdaad aan de karakterisering van Jockers en Mimno te voldoen. Ik vermoed dat zijn corpus niet zo omvangrijk en zijn resultaten niet zo kwantificeerbaar zijn als die van deze onderzoekers. Anderzijds heeft de distant-reading-methode van Jockers en Mimno slechts oog voor woordgebruik in een omvangrijk corpus van 19e-eeuwse romans, terwijl Helmers allerlei nuances in metafoorgebruik blootlegt die met distant reading (nog) niet te analyseren zijn. De onderzoekers geven dit zelf ook toe:

The models we present here cannot represent the full meaning of individual books any more than satellite photos can show the details of individual trees. Like the satellite view, however, these macro- or “distant-,” scale perspectives on literature offers scholars a necessary context for and complement to closer readings.[5]

De satellietfoto’s van distant reading zou ik graag gedetailleerder willen maken, een hogere resolutie willen geven. Aan de hand van woordclusters kan deze methode wellicht dominante thema’s localiseren in grote corpora, andere dominante betekenisvelden die indirecter opgeroepen worden in metaforiek en ironie blijven echter buiten beschouwing. In een corpus als dat van Helmers zou ‘lichaam’ of ‘ziekte’ misschien naar voren komen, maar meer ook niet. Ik denk dat metaforen, al dan niet versteend, cognitief zeer sturend kunnen zijn en daarom ook uitgebreider en grootschaliger onderzoek verdienen.[6] Hetzelfde geldt voor ironie of min of meer ritueel taalgebruik (beleefdheid, zegswijzen, etc.).[7]

Op het punt waar deze beide artikelen convergeren zou ik me graag positioneren. Wat zijn steeds terugkerende metaforen? Hebben deze metaforen formele kenmerken die generaliseerbaar zijn en digitaal geanalyseerd kunnen worden in grote corpora? Is ironie op de een of andere manier formeel te analyseren? Hoe kunnen we de subtiliteiten waarmee symbolische economie gemanipuleerd wordt zo gedetailleerd en tegelijk afstandelijk mogelijk analyseren?[8] Deze kwesties vragen mijns inziens niet om een canongerichte aanpak,  maar zouden juist allerlei bronnen in het corpus opgenomen moeten worden. Het lijkt me vervolgens wél goed om bij bespreking van (opvallende) resultaten de canoniciteit van werken te bespreken. Zijn er verschillen waar te nemen tussen werken die wel of juist niet canoniek geworden zijn (in verschillende tijden)? Door het taalgebruik in verschillende bronnen, uit verschillende contexten, uit verschillende tijden te analyseren denk ik dat de notie ‘schrijven is altijd een ideologische/politieke daad’ verrijkt kan worden. Ik denk dat ideologieën met name impliciet aanwezig zijn en indirect afgeleid moeten worden, maar het huidige onderzoek nog tekortschiet doordat deze vaak zo kleine corpora behandelt waarmee een van tevoren ingenomen stelling (‘Deze roman is orientalistisch’) gemakkelijk bewezen kan worden. Niet enkel titels, woordgebruik of identiteit van auteurs (klasse, ras, gender – ‘er staat wat er staat’) spelen een rol, maar ook indirecte (conceptuele) positionering van (al dan niet) minderheden in dialogen, beleefdheid, conceptuele metaforen, ironie, etc. (‘er staat niet wat er staat’) is van grote invloed.  Zowel in literaire werken ‘zelf’, als in allerlei teksten: commentaren van uitgevers, receptie in literaire kritiek, politieke teksten, liedjes, tweets, memes, cabaretteksten, flapteksten, preken, reclameteksten. Het kan niet op.


Literatuur

Greenblatt, Steven. ‘Culture.’ Critical Terms for Literary Study. Eds. Frank Lentricchia en Thomas McLaughlin. Chicago: University of Chicago Press, 1995: 225-232.

Helmers, Helmer. ‘Illness as Metaphor: The Sick Body Politic and Its Cures.’ Illness and Literature in the Low Countries. From the Middle Ages until the 21th Century. Eds. Jaap Grave, Rick Honings en Bettina Noak. Göttingen: V&R Unipress, 2015: 97-120.

Jockers, Matthew L., David Mimno. ‘Significant Themes in 19th-Century Literature.’ Poetics 41-6 (2013): [paginering ontbreekt].

Lakoff, George, Mark Johnson. Metaphors we live by. Chicago: University of Chicago Press, 1980.


Noten

[1] Steven Greenblatt, ‘Culture’, Critical Terms for Literary Study, eds. Frank Lentricchia en Thomas McLaughlin (Chicago: University of Chicago Press, 1995), 225-226.

[2] Helmer Helmers, ‘Illness as Metaphor: The Sick Body Politic and Its Cures’, Illness and Literature in the Low Countries, eds. Jaap Grave, Rick Honings en Bettrina Noak (Göttingen: V&R Unipress, 2015), 97-120.

[3] Jockers, Matthew L., David Mimno, ‘Significant Themes in 19th-Century Literature’ Poetics 41-6, 2013.

[4] Jockers, Mimno, 1 (mijn paginering).

[5] Jockers, Minmo, 23 (mijn paginering).

[6] Dit punt is natuurlijk allang gemaakt in Metaphors we live by van Lakoff en Johnson, en methodisch uitgewerkt door bijvoorbeeld Gerard Steen.

[7] Marcel Bax was hier in Groningen mee bezig, maar heeft zich niet beziggehouden met distant reading.

[8] Zie voor de notie symbolic economy: Greenblatt, 230.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s