Stel dat…

Over loquax, ludens en symbolicus

Een paar weken geleden zag ik Herman Finkers’ Missa in Mysterium uitgezonden worden door de publieke omroep.[1] Finkers construeerde een mis waarin alle zintuigen van de aanwezigen geprikkeld zouden worden. Het geloof is een lichamelijke, zelfs erotische aangelegenheid, stelt hij in zijn commentaar bij de uitzending. Dat commentaar is het enige Nederlands dat we daar te horen krijgen, want voor de rest zingen priester, schola en ‘publiek’ in het Latijn en vertaalt Finkers af en toe een bijbellezing in het Twents, door het Latijnse reciteren heen. Het toegestroomde volk (900 aanwezigen!) zingt zacht mee en participeert fysiek met kruistekens, buigingen en andere gebaren, want Finkers wil vooral de symboliek van de ritus benadrukken:

Je hebt dat wierook en die geuren, die kleuren, die handelingen – waar het niet om gaat – nodig om iets aan te voelen van wat het wil zeggen.

Al deze aspecten verwijzen naar wat Finkers voortdurend ‘het geheim’ noemt: een realiteit die volgens hem niet uitgesproken kan worden. Precies om die reden geeft Finkers de voorkeur aan het gebruik van een dode taal als het Latijn:

Je hebt al heel snel in de volkstaal – dat kreeg je al toen de Bijbel vertaald werd in het Nederlands: ‘Ja, dat kan niet! Een slang die gesproken heeft, of een ezel die spreekt… Dus dat gaat er uit, en dat kan niet, en dit moet er toch weer wél in…’ Je moet het hele pakkie an nemen en je moet het met een korrel zout nemen. Dat bedoel ik niet denigrerend, maar je moet het zéker niet letterlijk nemen.

Finkers wil, voorbij de letterlijkheid, het figuurlijke van taal inzetten in zijn ritueel: het symbool zélf wordt centraal gezet, want pas dan wordt het ultiem verwijzend. En hij heeft gelijk als hij stelt dat elke verandering in verwoording of taal een betekenisverandering teweeg brengt. Taal is niet slechts een communicatief instrument dat we ‘gebruiken om iets over te brengen’, het instrument zelf stuurt onze gedachten en opvattingen.

Taal, een instrument?

Gerard Steen doet aan de Vrije Universiteit onderzoek naar het gebruik van metaforen in taal. In navolging van onder anderen George Lakoff en Mark Johnson gaat hij ervan uit dat zelfs de meest subtiele elementen in talige uitingen effecten hebben op cognitieve processen van betekenisgeving:

Onopgemerkte metaforen [kunnen] wel degelijk cognitieve invloed uitoefenen op onze psychologische processen van taalverwerking. Er is voldoende experimenteel onderzoek in de traditie […] dat de principiële mogelijkheid daarvan in elk geval aantoont.[2]

De onopvallende eigenaardigheden in taal beïnvloeden onze kijk op de wereld. In Metaphors we live by illustreren Lakoff en Johnson die gedachte met een heel een scala aan conceptuele metaforen, die volgens hen vaak onbewust opgeroepen worden door allerlei in de taal versteende uitdrukkingen.[3] Abstracte zaken stellen we bijvoorbeeld vaak als concrete, tastbare entiteiten om ze begrijpelijk te maken.

Zo wordt de menselijke geest vaak voorgesteld als een breekbaar voorwerp als we zeggen: ‘Hij is een gebroken man’, ‘Ze ging eraan kapot’ of ‘Toen knapte er iets in hem’. Het zal niemand opvallen dat de menselijke geestesgesteldheid hier op metaforische wijze wordt voorgesteld, en dat geeft volgens Lakoff en Johnson precies aan hoe we in onze cultuur over in dit geval de menselijke geest zijn gaan denken. Dat we de menselijke geest niet steevast met een rivier, wolk of planeet vergelijken, maar als een aardewerken vat zien waar gedachten en emoties in verstopt zitten en dat kan breken, is volgens hen veelzeggend omdat zo bepaalde eigenschappen van in dit geval de menselijke geest meer benadrukt worden dan andere, en dát als een natuurlijk gegeven laat lijken. Door het gebruik van ingesleten metaforische constructies kan het opeens heel overtuigend lijken dat vrede bereikt, de onderste steen van het probleem boven gehaald of een ziekte overwonnen kan worden – complexe zaken misleidend vereenvoudigd.

Taal als communicatief instrument, maar wel een instrument dat ons denken en zichzélf voortdurend manipuleert, zodanig dat we nauwelijks kunnen spreken van een onderscheid tussen vorm (teken, verwoording) en inhoud (betekenis). Vorm is nooit slechts een omhulsel van inhoud of betekenis, maar komt in meer of mindere mate voort uit interactieve functies of onbewuste cognitieve constructen. De sprekende mens, Homo loquax, kan niet spreken zonder zijn eigen en andermans geest te (ver)vormen – zo lijken Lakoff en Johnson in een later werk ook aan te willen geven:

Thought is mostly unconscious.
The mind is inherently embodied.
Abstract concepts are largely metaphorical.

These are three major findings that contradict most of Western philosophy…[4]

Hiermee willen zij een focus leggen op de aardse, lichamelijke werkelijkheid die niet uitgaat van een transcedente herkomst van kennis, zoals Plato die veronderstelde. Net als Finkers willen zij niet dat geheim, maar het symbool, het lichaam zélf centraal stellen. Het lichaam dat danst, dat speelt, dat vecht en dat zich voort wil planten.

Volgens Merlin Donald (neuro-antropoloog, cognitieve neurowetenschapper) en Christopher Collins (taalwetenschapper) is het precies dat spelende, symbolische handelen dat onze soort uiteindelijk tot Homo sapiens sapiens deed ontwikkelen. Toen onze verre voorouders ooit uit de bomen afdaalden en voortdurend verder trokken, werden ze gedwongen taken te verdelen, in de avond de reis van de volgende dag te overleggen en gevechtsituaties alvast in veilige contexten te ensceneren om beslagen ten ijs te komen. Deze sociale situaties van instructie (werktuigen), overleg (met bijvoorbeeld grommen en gebaren) en (ritueel) spel waren nodig om te overleven in het open veld. Volgens Donald en Collins bracht het ontstaan van deze nieuwe, symbolische (want verwijzende) situaties lichamelijke en cognitieve veranderingen teweeg. Het (proto-)menselijke brein leerde plannen, langere tijdsperioden overzien en een onderscheid te maken tussen nu (spel, verwijzing, teken) en straks (gevecht, betekenis). Dat vermogen om te onderscheiden tussen werkelijkheid en mental images (verbeelding), was vooralsnog vooral cognitief en gesticulatief van aard, maar deze onderzoekers menen dat het de weg baande voor het menselijke taal- en denkvermogen. Vanuit een simpel systeem van grommen die bijvoorbeeld links/rechts, ver/dichtbij of goed/fout aanduidden kon langzamerhand een gelaagdheid van verwijzingen-in-verwijzingen ontstaan, waarin korte uitingen opgerekt konden worden tot verhalen, mythen en redevoeringen. Het doen-alsof als wortel van menselijke cultuur. De spelende mens, Homo ludens, als blauwdruk voor onze huidige soort.

Spelen in een nieuwe wereld

Zulke gedachten spreken natuurlijk tot de verbeelding in tijden die zich laten kenmerken door zakelijkheid, overzicht en orde – moderniteit, dat precies zo te kenschetsen is, en dat volgens zojuist overleden socioloog Zygmunt Bauman als ultieme consequentie de holocaust had.

Dat besef zorgde na de Tweede Wereldoorlog voor een nieuw verlangen naar de spelende mens. Het nomadische bestaan van homo ludens werd bijvoorbeeld ten voorbeeld gesteld door Constant Nieuwenhuys, lid van CoBrA en bedenker van een nieuwe stedenbouw: New Babylon. Constant hekelde de modernistische, functionalistische stadsinrichting en dito levensinstelling. Volgens hem zou de mens door technologische vooruitgang niet meer hoeven werken en alle tijd hebben (weer) creatief te zijn. Die creativiteit zou in zijn New Babylon volop aangewakkerd worden. Deze nieuwe stedenbouw zou als essentieelste eigenschap tijdelijkheid hebben: door de voortdurend veranderende labyrinthische structuur van deze nieuwe wereldorde moeten haar inwoners voortdurend verder trekken, nieuwe situaties tegemoet om hun creativiteit opnieuw uit te vinden. Als het aan Constant lag moest de wereld opnieuw beginnen en de mens zichzelf opnieuw creëren. Via spel, rite en mythe komt er op labyrinthische wijze een nieuw bewustzijn tot stand.

Dergelijke visionaire grootspraak doet inderdaad denken aan de mythen van weleer, met misschien als grootste verschil dat het zwerven, het nomadische, de labyrint van middel tot doel verheven is in deze nieuwe mythologie. Waar creativiteit in paleo-tijdperken tot nieuwe strategieën van fysieke overleving moest leiden, is ze in Constants toekomstbeeld het hoofddoel der mensheid geworden. Het vaste, functionele karakter van het werktuig, de rite, de mythe wordt vervangen door een zoeken naar steeds nieuwe vormen en verhalen, om het zoeken zelf.

Sommige dichters uit Constants generatie wilden iets soortgelijks in de poëzie bewerkstelligen. Metafoor op metafoor stapelden zij in hun gedichten om maar aan te geven dat de vorige ook niet kon benaderen wat ze zeggen wilden. Elk oriëntatiepunt vervluchtigt, elk teken vervormt – het gedicht als labyrint. Guillaume van der Graft is zo’n generatiegenoot die maar blijft stoeien met de ontoereikendheid van taal om de werkelijkheid te beschrijven, hopend dat nieuwe, passende woorden hem nog eens ten deel zullen vallen:

VAN OVERNIEUW

Ik weet dat ik weer moet gaan geloven
maar niet in de vogels
die geven te hoog van de hemel op
en niet in de vissen
die knagen aan de wortels van de lente
en niet in de mensen
die delen de taal door zichzelf

Ik weet dat ik weer moet gaan geloven
maar wat en waarin en hoe
niet in de kwikdamp van de sterren
niet in de groeikramp van het jaar
en niet in de gouden standaard van de woorden

wellicht in het licht van morgen
dat nu nog hurkt voor de sprong
wellicht in een jaar van gratie
oorsprong
van woorden die nu nog niets doen
omdat de bijpassende oren
nog niet geboren zijn.[5]

Het lyrisch ik zoekt nieuwe woorden, nieuwe symbolen, om opnieuw mee of in te geloven. Mee – wanneer woord, symbool, ritus als verwijzing naar een andere orde worden ingezet. In – wanneer ze krachtig worden neergezet als bijkans op zichzelf staand. Veelal zal het onderscheid ‘mee-of-in’ niet zo scherp te maken zijn, zoals we ook zagen dat taal niet zuiver referentieel of volledig autonoom kan zijn.

Vloeibare referentialiteit

Wim Helsen, cabaretier, speelt in zijn shows voortdurend met die moeilijkheid. Zijn optredens bestaan duidelijk uit verschillende lagen en personages, maar die zijn meestal nauwelijks van elkaar te onderscheiden en beïnvloeden elkaar. Het uur van de prutser lijkt bijvoorbeeld een warrige aaneenschakeling van verhaaltjes, dialogen met het publiek en moppen, moeizaam bijeengehouden door een ‘lollig dialoogske’ dat Helsen op een papiertje bij zich draagt en waar hij maar niet aan toe komt het volledig uit te spreken. Het doel van de voorstelling lijkt het uiteindelijk volledig vertellen van die uitgeschreven mop (‘Amai bakker…’), maar door allerlei impulsieve associaties komt het er maar niet van.

Echter, de oplettende toeschouwer begint ergens achterdochtig te worden: zou er samenhang bestaan tussen al die uitstapjes? En warempel, als kijker word je zelfs een beetje trots op de ontluikende ontdekking dat dat inderdaad het geval blijkt. Af en toe noemt Helsen een zus waar hij het liever niet over heeft, maar soms per ongeluk toch weer over spreekt. ‘Tina’, zoals ze lijkt te heten, blijkt gestorven te zijn, toen ze nog maar pas een bakkerij was begonnen. Telkens als Helsen over haar komt te spreken lijkt hij zich ergens schuldig over te voelen. Ook vertelt hij enkele keren over vroeger, toen hij naar de slager ging om vlees te halen en maar niet uit zijn woorden kwam. We ontdekken ook dat Tina’s bakkerij na haar dood werd betrokken door een slager.

Midden in het stuk lijkt Helsen in zichzelf gekeerd en begint langzaam ‘Far l’Amore’ van Rafaella Carra aan te zwellen, gedoopt in een naar herinnering riekende galm. Helsen stapelt enkele podiumdelen en springt er herhaaldelijk vanaf. Zou het een uitbeelding zijn van wat later Tina’s zelfmoord blijkt?

Helsen lijkt zich tussen de regels door schuldig te voelen over de dood van zijn zus die een bakkerij had – zou hij daarom in zijn ‘dialoogske’ (‘Amai bakker’) zo onaardig zijn tegen de bakker?

Aan het eind van zijn show geeft Helsen schoorvoetend toe: de zus was maar een hersenspinsel dat slechts bedoeld was om hem een grote artiest met echt artiestenleed te laten lijken. Zo krijgt de gehele show op het laatst een extra laag, en blijft de titel Het uur van de prutser in ons hoofd spoken: was het personage uit het grappige, geschreven dialoogje een prutser, was het personage met de gestorven zus een prutser, is Helsen de  prutser omdat van een verhaal met een kop en een staart zo weinig terecht is gekomen?

Helsen laat zien: bij verwijzen, doen-alsof, symboliek is het helemaal niet duidelijk wanneer we ons in welke laag, welke wereld bevinden. De mens als imaginair wezen: sprekend, spelend en symbolisch – en voortdurend verward. De wereld die Constant voor ogen had is er al: de cognitie en cultuur die we ontwikkeld hebben wil graag overzicht brengen, maar wordt voortdurend door zichzelf ontwricht.

Spelenderwijs, gelukkig.


Verder kijken


Verder lezen

  • Zygmunt Bauman. Modernity and the Holocaust. Cambridge: Polity/Blackwell, 1990.
  • Christopher Collins. Paleopoetics. The evolution of the preliterate imagination. New York: Columbia University Press, 2013.
  • Merlin Donald. Origins of the Modern Mind. Three stages in the evolution of culture and cognition. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1991.
  • Christopher S. Henshilwood and Francesco d’Errico (eds.). Homo symbolicus: The Dawn of Language, Imagination and Spirituality. Amsterdam: John Benjamins Publishing Company, 2011.
  • Johan Huizinga. Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Amsterdam: Amsterdam University Press, 1938.
  • George Lakoff, Mark Johnson. Metaphors we live by. Chicago: Chicago University Press, 1980.
  • Laura Stamps, et al. Constant: New Babylon. Aan ons de vrijheid. Lichtervelde: Hannibal, 2016.

Voetnoten

[1] De KRO-NCRV zond het uit op eerste kerstdag, vanaf 23.15 uur op NPO2. Bekijk hier de gehele uitzending: https://www.youtube.com/watch?v=2ZeKpzcWDWo&t=36s.

[2] Gerard Steen, ‘Wanneer denken wij in metaforen? Over de relatie tussen taalgebruik en cognitie,’ Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Taalgebruik en Cognitie (Amsterdam: Vrije Universiteit, 2007), 9.

[3] George Lakoff, Mark Johnson, Metaphors we live by (Chicago: Chicago University Press, 1980).

[4] George Lakoff, Mark Johnson, Philosophy in the flesh: The embodied mind and its challenge to western thought (New York: Basic Books, 1999).

[5] Guillaume van der Graft. Verzamelde Gedichten. (Baarn: Bosch & Keuning NV, 1982), 369.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s